Tien jaar na de aanslagen in Zaventem en Maalbeek

20/03/2026, Brussel – Naar aanleiding van de herdenking tien jaar na de aanslagen in Zaventem en Maalbeek was Gert Vercauteren, directeur van het OCAD, op 19 maart 2026 te gast bij Terzake en Jeudi en Prime. Hij schetste er de evolutie van de terroristische en extremistische dreiging in België en lichtte toe hoe de Belgische aanpak de voorbije jaren verder werd versterkt om deze dreigingen beter te kunnen anticiperen, analyseren en beheersen.

Evolutie van de aanpak

Tien jaar na de aanslagen in Brussel is de aanpak van terrorisme in België grondig geëvolueerd. De parlementaire onderzoekscommissie die na de aanslagen werd opgericht, formuleerde verschillende aanbevelingen waarbij vooral de nood tot een verbeterde samenwerking en informatiedeling tussen veiligheids-, inlichtingen-, justitiële en lokale actoren werd aangekaart. Aan deze aanbevelingen werd uitvoering gegeven.

Het vroegere Actieplan Radicalisme evolueerde naar de nationale Strategie T.E.R. (Terrorisme – Extremisme – Radicalisering) die door het OCAD wordt gecoördineerd. Deze strategie steunt op een multidisciplinaire en geïntegreerde aanpak, die alle beleidsniveaus en actoren van ons land betrekt. Niet alleen veiligheidsdiensten en justitie spelen daarbij een rol, maar ook lokale overheden, preventiediensten en actoren uit de zorg- en welzijnssector. De strategie vertrekt dan ook van het inzicht dat radicalisering niet louter een veiligheidsprobleem is, maar een complex maatschappelijk fenomeen dat vraagt om een holistische benadering.

De structuur van de strategie werkt op verschillende niveaus. Op nationaal niveau gebeurt de coördinatie via onder meer de Nationale Taskforce, thematische werkgroepen en de JIC/JDC. Op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen worden personen opgevolgd via Lokale Taskforces, die instaan voor het veiligheidsluik, en op het lokale niveau via Lokale Integrale Veiligheidscellen inzake radicalisme (LIVC-R), waar vooral de sociopreventieve opvolging en vroegdetectie wordt georganiseerd.

Het centraal zenuwstel van die aanpak is de Gemeenschappelijke Gegevensbank T.E.R. (GGB T.E.R.), waarin relevante informatie over personen die in ons land prioritair worden opgevolgd in het kader van extremisme of terrorisme wordt samengebracht en gedeeld tussen alle betrokken diensten. Deze diensten hebben naast een toegang tot de informatie ook een plicht om deze aan te vullen met alle relevante informatie waarover ze beschikken. Voor elke persoon in de GGB T.E.R. wordt dan ook een individuele dreigingsanalyse opgesteld die continu geactualiseerd wordt op basis van nieuwe informatie en wordt er voor elk individu een opvolging op maat uitgewerkt via de platformen (LTF/LIVC R).

Dankzij deze aanpak kunnen dreigingen vandaag vroeger worden gedetecteerd en gerichter worden opgevolgd, met een combinatie van veiligheidsmaatregelen, sociopreventieve begeleiding en gerechtelijke opvolging indien nodig.

Tien jaar na de aanslagen is de Belgische aanpak dus fundamenteel veranderd: van versnipperd naar geïntegreerd, van reactief naar proactief, en van louter repressief naar een brede, multidisciplinaire strategie, met meer aandacht voor preventie, psychosociale factoren en individuele trajecten, bijvoorbeeld bij geradicaliseerde jongeren of hybride profielen.

Tegelijk blijft de dreiging evolueren. De Strategie T.E.R. is daarom flexibel en biedt een kader om ook nieuwe dreigingen op te volgen, waarbij samenwerking, informatie-uitwisseling en een aanpak op maat centraal staan.

Het OCAD zal dan ook zijn coördinerende rol blijven vervullen, partners blijven aanzetten tot overleg, onder meer via de platformen van de Strategie T.E.R. en nauw contact blijven onderhouden met zijn internationale partners. Het is belangrijk dat onze veiligheidscultuur niet wordt afgebouwd en dat we als samenleving weerbaarder worden tegen extremistische propaganda en gewelddadige radicalisering. Dat zijn we verplicht aan de slachtoffers van de aanslagen en aan hun naasten.

Evolutie van de dreiging

Sinds 2015 is het landschap van de terroristische en extremistische dreiging in België en Europa ingrijpend gewijzigd. Rond 2015 en 2016 werd Europa vooral geconfronteerd met georganiseerde commando’s die werden aangestuurd of ondersteund vanuit het buitenland door jihadistische netwerken met internationale vertakkingen.

De terroristische organisatie Islamitische Staat bestuurt vandaag geen grote gebieden meer en beschikt niet langer over dezelfde operationele slagkracht, logistieke middelen en rekruteringscapaciteit als tien jaar geleden. Dat betekent echter niet dat de jihadistische ideologie verdwenen is. Integendeel, ze wordt online nog steeds actief verspreid.

Men spreekt dan ook niet langer van een geprojecteerde dreiging, maar eerder van een geïnspireerde dreiging. Terroristische organisaties in het buitenland proberen niet zozeer nog zelf aanslagen te plannen in het Westen, maar trachten via online propaganda individuen te inspireren om zelfstandig over te gaan tot geweld. Radicalisering verloopt daarbij vaak online, sneller en individueler, zonder noodzakelijk fysieke contacten met een netwerk.

De grootste geweldsdreiging gaat vandaag voornamelijk uit van jihadistisch geïnspireerde lone actors: individuen die op eigen initiatief een aanslag bedenken, voorbereiden en trachten uit te voeren.

Daarnaast heeft het rechts-extremisme, onder meer in zijn transnationale en digitale vormen, zich gevestigd als een aanhoudende dreigingsvector. Ook binnen het links-extremisme wordt in België een verhoogde activiteitsgraad vastgesteld, onder meer rond het Israëlisch-Palestijnse conflict. In bepaalde milieus wordt bovendien een kruisbestuiving vastgesteld met activistische thema’s, zoals klimaat, waarbij soms hardere of zelfs extremistische actiemethoden worden gehanteerd.

Tegelijkertijd duiken nieuwe profielen op: jongeren die voornamelijk online radicaliseren, individuen met uitgesproken anti-establishment gevoelens en hybride bewegingen waarin elementen van rechts-extremisme, islamisme, complotdenken of nihilisme samenkomen. Zeker bij dat laatste fenomeen, het nihilistisch extremisme, zien we dat het ideologische kader vervaagt en een fascinatie voor extreem geweld speelt.

Internationale conflicten – bijvoorbeeld in het Midden-Oosten of in Oekraïne – kunnen bovendien fungeren als emotionele en politieke triggers, die haatdragende en slachtoffernarratieven voeden. Deze narratieven worden verder verspreid en versterkt door individuen of groepen die geweld willen aanmoedigen, rechtvaardigen of mogelijk maken.

Deze evolutie maakt de dreiging complexer, gefragmenteerder en moeilijker te detecteren. De signalen van radicalisering zijn vaak subtieler, de motivaties minder eenduidig en het overgaan tot geweld meer opportunistisch.

Het terrorisme is ook ‘low cost’ geworden: het vergt geen complexe infrastructuur meer en kan door één geradicaliseerd individu worden gepleegd met eenvoudige middelen, terwijl de potentiële maatschappelijke impact groot blijft.

De veiligheidsdiensten blijven daarom ook uiterst waakzaam voor verschillende vormen van extremisme en evoluerende dreigingsvormen.