Daling aantal dreigingsmeldingen, maar veiligheidscontext blijft complex

06/02/2026, Brussel – In 2025 ontving het Coördinatieorgaan voor dreigingsanalyse (OCAD) 157 meldingen van dreigingen met een link naar terrorisme en/of extremisme. Dit komt neer op een daling met 26% ten opzichte van de 213 meldingen in 2024.

Het OCAD wordt door zijn partnerdiensten (politie, inlichtingendiensten, Nationaal Crisiscentrum, …) op de hoogte gebracht van meldingen over potentiële dreigingen in het kader van extremisme of terrorisme. Na analyse voorziet het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse de melding van een bredere context en kent het een dreigingsniveau toe op een schaal van 1 tot 4. Op basis hiervan kunnen de partnerdiensten, indien nodig, beschermingsmaatregelen nemen.

De vastgestelde daling in het aantal dreigingsmeldingen kan door verschillende factoren worden verklaard. Zo lag het aantal meldingen gelinkt aan islamitisch extremisme in 2025 lager dan in voorgaande jaren, onder meer door de verminderde slagkracht en aantrekkingskracht van organisaties zoals Islamitische Staat (IS). Bovendien hadden internationale triggerevents in 2025 een minder sterk mobiliserend effect dan tijdens hun beginfase.

Minder dreigingsmeldingen ingeschaald als ernstig

Het aantal dreigingsmeldingen die in 2025 aan OCAD werden overgemaakt, varieerde in de loop van het jaar, met de laagste cijfers in augustus, terwijl een piek werd waargenomen in oktober.

Na analyse door het OCAD werd het merendeel van de meldingen ingeschaald op dreigingsniveau 1. Zo kreeg 59% een laag dreigingsniveau, 36% werd beoordeeld als niveau 2 (gemiddeld) en slechts 5% als niveau 3 (ernstig). Aan geen enkele melding werd het niveau 4 (zeer ernstige en imminente dreiging) toegekend. Opvallend is dat het aandeel ernstige dreigingen sterk is gedaald: het percentage meldingen op niveau 3 nam af van 12% in 2024 naar 5% in 2025, wat wijst op een algemene vermindering in de ernst van de dreigingen.

Het grootste deel van de dreigingsmeldingen is verbonden aan het rechtsgebied (ressort) Brussel, gevolgd door Antwerpen, Bergen, Gent en Luik.

 

Ideologie en profiel

De ideologische samenstelling van de dreigingsmeldingen veranderde ook enigszins. Islamitisch extremisme blijft de voornaamste ideologie maar daalt aanzienlijk: van 117 meldingen in 2024 naar 62 in 2025, goed voor een daling van 55% naar 39%. Op de tweede plaats komen dreigingsmeldingen die gelinkt zijn aan het buitenland (24%). Het gaat dan bijvoorbeeld om dreigingen tegen ambassades, of tegen leden van de diaspora’s en etnische gemeenschappen.

Daarnaast wordt een toename vastgesteld van rechts- en links-extremistische dreigingen, die respectievelijk stijgen van 5% naar 13%, en van 1% naar 4%.

Andere fenomenen (10%), zoals anti-establishment gevoelens, incels en statelijke dreigingen, bleven stabiel. Voor 10% van de dreigingsmeldingen die het OCAD ontving, kon de ideologische dimensie van de dreiging niet achterhaald worden na verder onderzoek. Bij dit type meldingen is het vaak moeilijk om de exacte motivatie van de betrokkene te achterhalen, omdat die kan voortkomen uit een uiteenlopende mix van ideologische invloeden, persoonlijke grieven en psychologische kwetsbaarheden.

Het grootst aantal dreigingsmeldingen (75%) gaat uit van personen met het profiel van een lone actor. Deze individuen gaan op eigen initiatief over tot het bedenken, voorbereiden en uitvoeren van een aanslag. Ze maken geen deel uit van een terroristische organisatie, maar kunnen er wel door geïnspireerd raken. De overige 25% hebben betrekking op collectieve plannen, vaak in een vroege ontwerpfase, maar soms gaat het ook om het verkennen of bespreken van een eerste idee.

Het aandeel minderjarigen bij de auteurs van dreigingen bedraagt 13%, een lichte daling ten opzichte van 16% in 2024. Verschillende van hen zijn opgenomen in de Gemeenschappelijke Gegevensbank ‘Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces’ (GGB T.E.R).

Voor elke dreigingsmelding wordt beoordeeld of de betrokken auteur(s) moet(en) worden opgenomen in de GGB T.E.R. Dit bevordert de stroomlijning van de informatie-uitwisseling en maakt het mogelijk dat bevoegde diensten tijdig de nodige maatregelen en/of socio‑preventieve ondersteuning voor de betrokkene(n) kunnen organiseren.

Modus operandi en doelwitten

De methoden die het vaakst voorkomen in de dreigingsmeldingen zijn explosieven, fysiek geweld en vuurwapens. Het is echter belangrijk om te benadrukken dat de vermelding van wapens of explosieven niet meteen betekent dat de auteurs deze ook daadwerkelijk bezitten of de nodige vaardigheden hebben om ze te gebruiken.

Ondanks een daling in het aantal meldingen, werden de Israëlische en joodse belangen het vaakst vermeld als doelwit (16%). Op nationaal niveau is een lichte stijging van dreigingsmeldingen gericht tegen politieke autoriteit(en) merkbaar, van 9% naar 13%. Daarnaast worden het algemene publiek, openbare gebouwen en veiligheidsdiensten geviseerd.

Voortgezette aanpak in een afnemend dreigingsbeeld

De daling van het aantal dreigingsmeldingen is een bemoedigende evolutie, maar het OCAD benadrukt dat het veiligheidslandschap complex blijft. Het aantal dossiers bij parket, politie en inlichtingendiensten blijft relatief hoog. Daarnaast hebben ook internationale ontwikkelingen nog steeds een aanzienlijke impact op het dreigingsbeeld in België. Het Coördinatieorgaan voor dreigingsanalyse blijft daarom alert en volgt alle evoluties nauwgezet op.

Een hechte samenwerking en geïntegreerde aanpak binnen de Belgische Strategie voor preventie en bestrijding van terrorisme, extremisme en radicaliseringsprocessen (Strategie T.E.R.) blijft daarbij van cruciaal belang.