11/09/2026, Brussel – 11 september 2001. Die datum staat in het collectieve geheugen gegrift als een dag waarop de wereld veranderde. Bijna 3.000 mensen kwamen om het leven bij de aanslagen in de Verenigde Staten. Ook België werd geraakt: één landgenoot verloor het leven in een toren van het World Trade Center. Vijfentwintig jaar later blijft de herinnering aan de slachtoffers centraal staan. Tegelijk vormt 11 september ook een kantelpunt in de manier waarop staten, internationale organisaties en veiligheidsdiensten naar terrorisme, informatie-uitwisseling en preventie zijn gaan kijken.
Om de context van 11 september te begrijpen, is het relevant om ook te kijken naar de gebeurtenissen die eraan voorafgingen. Twee dagen eerder, op 9 september 2001, werd de Afghaanse verzetsleider Ahmad Shah Massoud vermoord in het noorden van Afghanistan. De commandant Massoud was de belangrijkste militaire leider van de Noordelijke Alliantie, die weerstand bood tegen het Talibanregime en Al Qaida. De twee Tunesische daders deden zich voor als journalisten en verborgen een explosief in hun camera apparatuur. De moord op commandant Massoud verzwakte de belangrijkste militaire tegenstander van de Taliban op een moment waarop Al Qaida zich voorbereidde op een wereldwijde confrontatie met de Verenigde Staten.
Ook in die zaak kwam een link met België naar voren. Eén van de daders leefde verschillende jaren in ons land. Belgische en Franse gerechtelijke onderzoeken brachten nadien een logistiek netwerk in beeld rond valse documenten en gestolen paspoorten. Het toonde hoe internationale terroristische netwerken gebruikmaakten van zwakke plekken in bestaande systemen en hoe gebeurtenissen ver buiten Europa toch een Belgische dimensie konden hebben.
Ontstaan van fusion centres
De aanslagen van 11 september maakten op pijnlijke wijze duidelijk dat terrorisme grensoverschrijdend, georganiseerd en netwerkgericht kon zijn. De vaststelling dat informatie versnipperd zat over verschillende diensten en niveaus leidde in de Verenigde Staten tot de ontwikkeling van het eerste echte fusion center: het Amerikaanse National Counterterrorism Center (NCTC). Hun doel was om relevante informatie samen te brengen, analyses te maken over de grenzen van afzonderlijke diensten heen en beleidsmakers sneller een gedeeld dreigingsbeeld te bezorgen.
Ook in Europa groeide dat inzicht. De aanslagen in Madrid in 2004 en Londen in 2005 versterkten het besef dat een efficiënte aanpak van terrorisme niet alleen repressie vroeg, maar ook betere coördinatie, snellere informatiedoorstroming en een gedeelde analyse van dreigingen. Het principe achter fusion centers kreeg daardoor ook in Europa meer vorm.
In ons land nam in 2006 het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) de fakkel over van de Antiterroristische Gemengde Groep (AGG). Het basisprincipe bleef overeind: informatie en inlichtingen van partnerdiensten samenbrengen om een zo volledig mogelijk beeld van de dreiging te vormen. Het grote verschil was het robuuste wettelijke kader. Partnerdiensten werden voortaan wettelijk verplicht om alle relevante informatie aan het OCAD te bezorgen, en het aantal partnerdiensten werd ook uitgebreid. Dreigingsanalyse werd zo sterker ingebed in een gecoördineerde aanpak.
Vandaag verwerkt het OCAD alle relevante informatie en inlichtingen over terrorisme, extremisme en problematische radicalisering. De dienst maakt evaluaties en analyses die de partners toestaan om de juiste maatregelen te nemen, brengt partners samen in het kader van de Strategie T.E.R. en helpt maatschappelijke problemen aanpakken voor ze veiligheidsproblemen worden. Die opdracht sluit aan bij wat 11 september en de aanslagen die daarop volgden zo duidelijk hebben gemaakt: veiligheid is geen opdracht van één enkele dienst. Ze vraagt samenwerking, vertrouwen, informatie-uitwisseling en analyse.
Evolutie van de dreiging
Vijfentwintig jaar na 11 september blijft de dreiging evolueren. Grote terreurgroeperingen als IS of Al Qaeda hebben slagkracht verloren in het westen, maar extremistische ideeën blijven wel bestaan en kunnen individuele daders inspireren om tot actie over te gaan. Potentiële daders die online radicaliseren blijven uitdagingen vormen voor de veiligheidsdiensten. De dreigingsanalyses moeten daarom voortdurend mee evolueren met nieuwe fenomenen en werkwijzen. De les van 11 september blijft daarbij actueel: verbanden leggen vooraleer signalen afzonderlijk verloren gaan.
Herdenken is meer dan terugkijken. Het is slachtoffers en nabestaanden erkennen en ook samen vooruitkijken. Dat blijkt ook uit het gesprek met Philippe Vansteenkiste (V-Europe) over de aanslagen van 22 maart in ons land. Stilstaan bij momenten als deze verbindt verleden en toekomst. Het herinnert ons eraan dat terreur samenlevingen niet mag verdelen, maar net moet aanzetten tot verbondenheid.
Voor het OCAD betekent dat dat dreigingsanalyse altijd vertrekt vanuit een maatschappelijke verantwoordelijkheid: achter elke analyse schuilen mensen. Daarom blijft het OCAD, samen met zijn partnerdiensten, werken aan een duidelijk dreigingsbeeld, zorgvuldig gedeelde informatie en één gedeeld doel: bijdragen aan de veiligheid van de burgers, het land en de Belgische belangen in het buitenland.
Lees ook
20 jaar OCAD: verbinden, analyseren en vooruitkijken
Twintig jaar geleden werd het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse (OCAD) opgericht met een duidelijke ambitie: informatie rond terrorisme en extremisme samenbrengen, verbanden leggen en bijdragen...
Belgische Foreign Terrorist Fighters: stand van zaken
14/09/2026, Brussel – Na het uitbreken van het conflict in Syrië en Irak vertrokken vanaf 2012 honderden personen uit België naar het jihadistische conflictgebied. Een...
Opkomst van nihilistisch extremisme: “Dit online fenomeen vraagt waakzaamheid”
20/08/2026, Brussel – Het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) vraagt aandacht voor het fenomeen van het nihilistisch extremisme, een relatief nieuw fenomeen dat zich voornamelijk...

